Temperatuur verandert een wijn meer dan welke karaf of welk glas ook. Te koud verstopt de geur en maakt zuur en tannine hard. Te warm laat de alcohol opvallen en maakt het geheel vlak en moe.
De meeste mensen schenken wit te koud en rood te warm. Dat zijn allebei zonden, maar de eerste is makkelijker te herstellen: een glas warmt vanzelf op in je hand.
Richtlijnen
Als vuistregel
| Mousserend | 6–8 °C |
| Licht, fris wit | 8–10 °C |
| Vol wit, rosé | 10–12 °C |
| Licht rood | 14–16 °C |
| Vol rood | 16–18 °C |
Waarom "kamertemperatuur" niet klopt
Die uitdrukking komt uit huizen zonder centrale verwarming. Een moderne woonkamer is 21 graden of meer, en bij die temperatuur duwt de alcohol in een stevige rode wijn alles opzij. Twintig minuten in de koelkast voor het schenken doet wonderen.
Andersom: haal een witte wijn een kwartier vóór het eten uit de koeling. Een Fiano of een gerijpte Verdicchio heeft op tien graden veel meer te vertellen dan op zes.